Het Evangelie 2.0 Het Koninkrijk van God. Wat is het en wat moet ik ermee?

Het Koninkrijk van God. Wat is het en wat moet ik ermee?

Inhoud

  1. Het koninkrijk van God in het Oude Testament.

  2. Het koninkrijk van God in het Nieuwe Testament

  3. Het Koninkrijk van God in de gelijkenissen

  4. Al reeds en nog niet

  5. Rechtvaardigheid

  6. Vrede

  7. Vreugde

  8. Afronding

Algemeen

Tijdsinvestering

Dit onderwerp heeft 8 onderdelen, reserveer voor de bespreking van ieder onderdeel tenminste één avond.

Reserveer ook één avond per onderdeel voor je eigen voorbereiding. Per onderdeel wordt aangegeven wat je als voorbereiding kunt doen.

Leerdoelen

Je kennis over wat het koninkrijk van God is, is toegenomen

Je beseft hoe belangrijk jouw rol in het Koninkrijk is

Je wilt groeien in jouw rol in het Koninkrijk

Hoe je een onderdeel in de groep kunt bespreken

  • Bepaal wie op een avond de leiding heeft. De leider zorgt dat iedereen aan het woord kan komen, signaleert het als jullie te ver afdwalen en zorgt dat jullie op de afgesproken tijd stoppen. Betrek de gaven en talenten van jullie groep en de wens om hierin te groeien bij de keuze.

  • Bepaal op welke manier je de inhoud van de les wilt bespreken: gestructureerd of vrij:

Gestructureerd:

  • Lees met z’n allen de tekst door en zoek samen (een deel van) de bijbehorende bijbelteksten op. Als iemand bij een bepaald punt iets is opgevallen in de voorbereiding, of als iemand iets van een bepaald punt niet begrijpt, wordt daarover in de groep gesproken.

  • Bespreek de vragen.

Vrij:

  • Begin met een rondje waarin iedereen vertelt wat hem/haar aanspreekt in het onderdeel, wat is opgevallen, wat was nieuw enz.. Reageer op elkaar.

  • Maak een tweede rondje met de vragen die men (nog) heeft. Probeer antwoorden te vinden en onderbouw die vanuit de tekst of vanuit de bijbel of vanuit een andere met name genoemde, dus controleerbare, bron. ‘Ik vind’ is niet voldoende als argument! Houd een device met internetverbinding in de buurt om bronnen te kunnen nakijken.

  • Kijk of het nog nodig is om gezamenlijk door de tekst van de les te lopen.

  • Bespreek de vragen die nog niet aan de orde zijn gekomen.

Inleiding ( neem dit mee bij het eerste onderwerp)

The Cause of the King and the Kingdom is the basis of everything we do.”

Dit is een citaat van Brian Houston, senior pastor van Hillsong Sidney, uit zijn boek ‘For This Cause, finding the meaning of life and living a life of meaning’.

‘For this cause’ komt uit Johannes 18:37, waar Jezus zegt: “(…) Hiervoor (for this cause) ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. (…)”

In zijn boekje vertelt Brian Houston hoe je kan leven voor de zaak van de Koning en Zijn koninkrijk. Heel inspirerend en zeker het lezen waard, vooral als je na de bespreking van de onderwerpen nog vragen hebt over hoe je kan groeien in jouw rol in het Koninkrijk. Maar de vraag, wat dan dat Koninkrijk is, word in het boekje niet beantwoord, daar ligt niet de focus. Het is wel de focus van deze lessenserie, ´Het Koninkrijk van God. Wat is het en wat moet ik ermee?´

Het koninkrijk van God en het koninkrijk der hemelen.

Matteüs zegt meestal ‘koninkrijk van de hemel’, terwijl de andere evangelisten vaker spreken over ‘koninkrijk van God’. Dat heeft ermee te maken dat Matteüs graag typisch Joodse taal gebruikt. Joden mogen de naam van God niet uitspreken, en daarom zeggen ze ‘koninkrijk van de hemel’ in plaats van ‘koninkrijk van God’, maar het betekent hetzelfde.

Vraag:

  • Is het koninkrijk der hemelen, de hemel? Deze vraag wordt in de loop van de onderdelen stapje voor stapje beantwoord. Maar wat is jouw eerste idee?

Maak een kort rondje in de groep om elkaars ideeën te horen.(niet discussiëren)

Onderdeel 1. Het koninkrijk van God in het Oude Testament.

Voorbereiding thuis:

  • Wat weet je van het koninkrijk van God in het Oude Testament? Denk even na over deze vraag. Hoe zou het er uit zien of omschreven worden? Schrijf een paar steekwoorden op.

  • Lees de tekst hieronder en lees ook de bijbehorende bijbelteksten. Neem de tijd om zo nodig de context te lezen (zie inleiding evangelie 2.0) Schrijf op wat je wilt onthouden en schrijf op wat je aanspreekt, dingen die je met de groep zou willen delen. Schrijf ook op wat je niet begrijpt en wat je met de groep zou willen bespreken.

  • Lees daarna de vragen bij dit onderwerp en bedenk wat je zou kunnen antwoorden. Schrijf dat niet op, het is de bedoeling dat jullie van gedachten gaan wisselen, niet dat iedereen zijn antwoorden gaat oplezen.

Tekst bij het onderwerp:

Toen het volk Israël het beloofde land binnentrok, had het een leider, Jozua, en geen koning. De eerste honderden jaren stelde God telkens een leider aan om het volk weer op het rechte pad te brengen als het was afgedwaald van Hem en als gevolg daarvan te maken had met hongersnoden en oorlog.(Deuteronomium 28: 45-48, 63,64 en Rechters/Richteren 2:6-19)

Op een gegeven moment wilde het volk Israël een koning, net als de volken om hen heen, en God had hen, onder protest en met waarschuwingen, een koning gegeven (1 Sam 8:1-22) De eerste koning, koning Saul, was begonnen alle vijandige volken rondom het land te bestrijden. Zijn opvolger, koning David, had die volken overwonnen en onder zijn zoon, koning Salomo kwam het land tot bloei en werd de tempel gebouwd. Aan het einde van de regeerperiode van Salomo begon men weer vreemde goden te aanbidden. God stuurde profeten om het volk te waarschuwen: laat God niet los, ga geen vreemde goden dienen, dat betekent het einde van Israël. En elke keer zat bij die waarschuwingen ook een boodschap van hoop: als je terugkeert naar God, zal God jullie vergeven en het land en Zijn volk weer herstellen. Hij zal een nieuwe koning sturen en die zal de vrede weer herstellen.

Het volk luisterde niet naar de waarschuwingen en het eind van het liedje was dat het merendeel van de bevolking was weggevoerd, de steden verwoest waren en het land er desolaat bij lag, zoals God gezegd had in Deuteronomium 28.

De geschiedenis van Saul en David staat in 1 en 2 Samuel en 1 Kronieken 10-22, 28-29. De geschiedenis van Salomo en de scheuring van het Rijk in 1 Koningen 1-12 en 2 Kronieken 1-10.

Profeten komen voor in 1 en 2 Samuel (Samuel zelf), 1 en 2 Koningen en 1 en 2 Kronieken. De bekendste zijn Elia en Elisa. Daarnaast hebben de volgende profeten die (o.a.) de ballingschap profeteerden hun eigen boek: Jesaja, Jeremia, Hosea, Amos, Micha, Habakuk en Sefanja.

De overige profeten profeteerden in de ballingschap ( Ezechiel) of daarna (Haggai, Zacharia en Maleachi) tegen het volk over misstanden. Daniël en Joël profeteerden over een verre toekomst. Obadja waarschuwt de Edomieten, het broedervolk van Israël, de afstammelingen van Ezau. Jona en Nahum profeteren tegen Nineve, de hoofdstad van de Assyriërs, die het 10 stammenrijk hebben weggevoerd.

Na 70 jaar ballingschap kreeg de eerste groep Israëlieten opdracht om terug te keren naar hun land (Ezra 1:1-4). Zij herbouwden de tempel. Daarna werden ook de muren van Jeruzalem herbouwd en begon de rest van het volk weer terug te keren. (Ezra, Nehemia) Maar een koning was er niet meer gekomen. Honderden jaren wachtten de Israëlieten op een koning, die door God zou worden aangesteld, die de regering van Israël weer op zich zou nemen. (Jeremia 23: 5-6)

Ze verwachtten een vredevorst, een gezalfde, die niet alleen in Israël de vrede zou herstellen, maar in de hele wereld. Een licht wat schijnt in de duisternis, een licht dat blinden weer laat zien, dat gevangenen bevrijdt. Hij zal gerechtigheid brengen en hoop en verlossing. En aan zijn koningschap zal geen einde komen.(zie o.a. Jesaja: 9:3-6; 42:1,6,7 en 61:1-3, Micha 5: 1-4, Zacharia 9:8-10)

Dit zijn de Joodse wortels van het koninkrijk van God. Dit was de verwachting die de Israëlieten in de tijd van Jezus hadden van de Messias en van Zijn koninkrijk. (zie Matteüs 2:1-6, Lucas 2:14, 25-32, 38, Johannes 12:34)

Het Hebreeuwse woord voor gezalfde is Messias, het Griekse woord is Christianos. In het Oude Testament werden de hogepriesters en koningen gezalfd, overgoten met olie, om aan te geven dat ze door God waren aangesteld. Vandaar de naam ‘gezalfde’.

Vragen:

  • Wat roept dit Koninkrijk van het Oude Testament bij je op? Hoe zou je het schilderen bijvoorbeeld? Welke beelden of kleuren zou je gebruiken? Of doet het je denken aan bepaalde muziek, of aan een gedicht of een dans?

  • Wat heb je aan de informatie over het Koninkrijk in het Oude Testament? Helpt het je om het Nieuwe Testament (beter) te begrijpen?

  • Is er een overeenkomst tussen de verwachtingen van de Israëlieten en jouw beeld van het koninkrijk van God? Waar komt het overeen en waar niet?

  • Is er een overeenkomst tussen het Koninkrijk zoals het beschreven wordt in het OT en de beelden van de hemel die je aan het begin geschetst hebt? Waar komt het overeen en waar niet?

Onderdeel 2. Het koninkrijk van God in het Nieuwe Testament

Voorbereiding thuis:

  • Zet de hoofdlijn of de belangrijkste punten van onderdeel 1 voor jezelf op papier.

  • Wat weet je van het koninkrijk van God in het Nieuwe Testament? Schrijf een paar steekwoorden op.

  • Lees de tekst hieronder en lees ook de bijbehorende bijbelteksten. Neem de tijd om zo nodig de context te lezen (zie inleiding evangelie 2.0) Schrijf op wat je wilt onthouden en schrijf op wat je aanspreekt, dingen die je met de groep zou willen delen. Schrijf ook op wat je niet begrijpt en wat je met de groep zou willen bespreken.

  • Lees daarna de vragen bij dit onderwerp en bedenk wat je zou kunnen antwoorden. Schrijf dat niet op, het is de bedoeling dat jullie van gedachten gaan wisselen, niet dat iedereen zijn antwoorden gaat oplezen.

Tekst bij het onderwerp:

Het Oude Testament beschrijft een gezalfde, een koning door God gezonden, die het koninkrijk van God zou gaan regeren.

Het Nieuwe Testament leert ons dat Jezus die lang verwachtte koning was, de gezalfde (Matteüs 2:1-6; Lucas 4:18,19,21).

Maar waar is dat bijbehorende koninkrijk, zoals het beschreven wordt in het Oude Testament?

De volgelingen van Jezus zagen de tekenen en wonderen: blinden werden de ogen geopend, gevangenen van boze geesten werden bevrijd. Voor hen was ‘de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt’ (Maleachi 20:3). Ze hadden gehoord dat bij Zijn doop de Geest van God als een duif op Hem neerdaalde en er een stem uit de hemel klonk: “Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.” (Matteüs 3:16,17) Dat kenden ze van de profeet Jesaja (42:1)

En toen kwam het moment dat Jezus op een ezel naar Jeruzalem reed. Dat was voorzegd door de profeet Zacharia: (9:9-10) Ze haalden Hem feestelijk in (Matteüs 21:8,9) met de woorden van een eeuwen oude psalm (Psalm 118:24-28). En zo begeleidden ze Jezus tot aan de tempel. Nu was het moment aangebroken dat Hij zijn koningschap in ontvangst ging nemen. Ik denk dat ze verwachtten dat Hij in de tempel tot koning gezalfd zou worden. De Romeinen zouden verjaagd worden en het zou vrede zijn….

Maar dat was niet het plan van Jezus (Johannes 6:15). Hij had een ander plan, dat Hij in de vorm van een gelijkenis vertelde in Lucas 19:11-27

Vraag:

  • Nu je deze bekende gelijkenis in deze context gelezen hebt, is nu de betekenis van deze gelijkenis voor jou veranderd?

Jezus had een ander koninkrijk voor ogen. Wel een koninkrijk van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest.” (Romeinen 14:17), maar ook een koninkrijk dat niet van deze wereld is (Johannes 18:36).

Johannes de Doper zegt: ‘het koninkrijk van de hemel is nabij.’ (Matteus 3:2)

Jezus zegt dat het koninkrijk er is, dat de profetieën zijn vervuld, en iedereen is uitgenodigd om er binnen te gaan. (Matteüs 11:12,13; Lucas 11:20; 16:16,17)

‘De Wet’ en ‘de Profeten’ zijn bij de Joden namen van delen van de bijbel, zoals wij Oude en Nieuwe Testament kennen. Alle profetieën in die twee gedeelten van de bijbel wijzen naar het Koninkrijk. En als het Koninkrijk gekomen is, zijn die profetieën vervuld.

Maar Jezus zegt ook: “De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.” (Lucas 17:20,21) Andere vertalingen zeggen: ‘het is bij u’ (NBG en CEV) of ‘het is in u’ (SV en KJV).

Dat is iets anders dan wat de Israëlieten verwachtten. Zij verwachtten een daadwerkelijk, zichtbaar, merkbaar koninkrijk onder leiding van de gezalfde.

Vragen

  • Wat herken jij van de Oud Testamentische Messias in Jezus? En wat niet?

  • Wat betekent het dat het koninkrijk van God ‘niet van deze wereld’ is? Hoe zit het dan met de profetieën, die volgens Jezus vervuld zijn? Bij onderdeel 3 en 4 krijg je hierover meer informatie, maar wat zijn nu jouw gedachten hierbij?

  • Wat betekent ‘het ligt binnen uw bereik’ en ‘iedereen is uitgenodigd om er binnen te gaan’ (Zie bijbelteksten in de tekst)? (Houd bij de beantwoording van deze vraag de Joodse context van het Koninkrijk in gedachten: Zij waren het uitverkoren volk en ze hielden zich aan de wet als onderdeel van hun verbond met God. Hoe zou Jezus’ uitspraak op jou zijn overgekomen als jij een Jood was?)

  • Zit het koninkrijk van God in mij, of is het bij mij, zoals het koninkrijk der Nederlanden in mij zit of altijd bij mij is? (Het maakt niet uit naar welke uithoek van de wereld ik ga, ik ben en blijf een Nederlander. Aan mijn accent, mijn voorkeuren en gewoonten blijf ik altijd herkenbaar als Nederlander en daardoor ben ik een stukje Nederland)

  • Kun jij ‘je kunt het Koninkrijk binnengaan’ combineren met ‘je kan niet zeggen: hier is het’?

Onderdeel 3. Het Koninkrijk van God in de gelijkenissen

Voorbereiding thuis:

  • Zet de hoofdlijn of de belangrijkste punten van onderdeel 2 voor jezelf op papier.

  • Lees wat je bij onderdeel 1 hebt opgeschreven nog een keer door.

  • Wat weet je van de gelijkenissen die Jezus vertelde over het koninkrijk van God in het Nieuwe Testament? Schrijf een paar steekwoorden of gelijkenissen op die je te binnen schieten.

  • Lees de tekst hieronder, lees alle opgegeven gelijkenissen en doe de opdrachten. Neem de tijd om zo nodig de context te lezen of de gelijkenissen op te zoeken in de andere evangeliën. Maak aantekeningen van dingen die je opvallen of dingen die je niet begrijpt.

  • Lees daarna de vragen bij dit onderwerp en bedenk wat je zou kunnen antwoorden. Je mag dat opschrijven, maar het blijft de bedoeling dat jullie van gedachten gaan wisselen, niet dat iedereen zijn antwoorden gaat verdedigen.

Tekst bij het onderwerp:

Jezus heeft heel veel verhalen, gelijkenissen, verteld over het koninkrijk van God. Hij wilde Zijn Joodse toehoorders duidelijk maken wat Zijn koninkrijk inhoudt.

Matteüs heeft veel gelijkenissen opgeschreven en die gaan we allemaal lezen.

Over gelijkenissen.

Gelijkenissen zijn verhalen die niet echt gebeurd zijn, maar die worden verteld om iets duidelijk te maken door mensen aan het denken te zetten. In een gelijkenis zit namelijk altijd iets onverwachts, iets wat niet klopt of onlogisch is. Ons probleem is dat wij in een hele andere cultuur leven en we niet meer weten wat het onlogische punt in de gelijkenis is. Bij een aantal bekende gelijkenissen wordt ons dat wel eens verteld in een preek bv. Vrijwel iedereen weet dat de verloren zoon zijn vader eigenlijk dood verklaarde door om zijn erfenis te vragen en dat een vader dan nooit zijn zoon meer zou erkennen. (Lucas 15:11-32) Maar bijna niemand weet waarom het zo schandalig was dat de vijf dwaze meisjes niet voldoende olie hadden dat ze daarom niet naar binnen mochten. (Matteüs 25:1-12) In het Israël van die tijd duurde een bruiloft meerdere dagen. Het feest ging ook ‘s avonds door. Daarom brachten de gasten lampen mee, en voldoende olie voor de verlichting van het feest. Die 5 meisjes hadden niet voldoende olie, ze kwamen dus alleen om te halen, niet om ook hun aandeel te leveren.

Het probleem in de tijd van Jezus was dat men het punt wel begreep wat Hij wilde maken, maar dat ze vaak geen idee hadden over wie het ging. Meerdere malen vragen Zijn discipelen om uitleg.

Ook wij vragen ons af: Wie is de verloren zoon, wie is de vader, wie is de oudste broer? Wie is de bruidegom, wie zijn de wijze en wie de dwaze meisjes? Voor de antwoorden moesten de toehoorders vaak te ver buiten hun vaste gedachten patronen denken (= wij zijn het uitverkoren volk, wij hebben een verbond met God en als we ons aan de wet houden, komt het allemaal goed).

Wij zijn geneigd om de gelijkenissen los van hun Joodse wortels te lezen, maar Jezus had het tegen Zijn eigen volk, zij waren de eerste hoorders. In de context van een gelijkenis kun je lezen aan wie/welke groep Hij de gelijkenis vertelde en wat de aanleiding was. De verloren zoon werd verteld tegen de farizeeën en de schriftgeleerden, omdat ze stonden te mopperen dat Hij maar met iedereen omging (Lucas 15:1-3). Jezus vertelde de gelijkenis over de wijze en dwaze meisjes tegen de discipelen nadat Hij over de eindtijd had gesproken (Matteüs 24) Uit de context kan je daarom afleiden wie wie was in een gelijkenis. De verloren zoon waren de tollenaars en de zondaars die ook stonden te luisteren, de oudste broer waren de farizeeën en de schriftgeleerden, de vader was Hijzelf. De wijze meisjes zijn degenen die bezig zijn met de belangen van de bruidegom, de dwazen zijn dat niet.(zie Matteüs 24:36-46) De bruidegom is Jezus zelf.

Daarnaast vertelt Jezus gelijkenissen die gewoon vergelijkingen zijn: het lijkt op… een mosterdzaadje, zuurdezem, enz. Ook hier moet je weten wat een mosterdzaadje of zuurdezem is, maar dat is minder ingewikkeld en vaak wordt het er al bij gezegd.

Opdracht 1:

Lees Matteüs 13:31-33, 44-46.

Waar vergelijkt Jezus het koninkrijk mee? Maak voor jezelf een lijstje met de kenmerken. Kan je dat tot 2 begrippen terug brengen?

Opdracht 2:

Lees Matteüs 13:24-30, 36-43, 47-50 en 22:1-13

Waar vergelijkt Jezus het koninkrijk mee? Leg niet de gelijkenis uit, maar kijk naar de grote lijn van het verhaal. Wat gebeurt er in deze gelijkenissen, waar komen ze overeen?

Opdracht 3:

Matteüs 18:23-35 en 25:1-12 (kijk voor de hoofdlijn bij gelijkenissen)

Waar vergelijkt Jezus het koninkrijk mee? Wat gebeurt er in deze gelijkenissen, waar komen ze overeen?

De bruiloft

Jezus gebruik in Zijn gelijkenissen vaak de metafoor van een bruiloft. In Openbaring – dat gaat over het einde van de wereld zoals we hem nu kennen – lezen we twee keer van een bruiloft.

In Openbaring 19:7-9 gaat het om de bruiloft van het Lam (=Jezus) met Zijn vrouw, die zich hult in stralend, smetteloos linnen, dat zijn de daden der rechtvaardigen. Paulus vergelijkt in Efeziërs 5:22-33, de gemeente met een vrouw, die door Christus gereinigd is en die Hij voor zich plaatst zoals een bruid voor haar bruidegom staat, stralend, heilig en onbesmet.

In Openbaring 21:2,9,10 is Jeruzalem de bruid van het Lam. In de bijbel is het gebruikelijk om een stad symbool te laten staan voor een volk, net zoals het gebruikelijk is om een stad of volk te verpersonificeren als een vrouw. In Jesaja 54:5 wordt God de man van Israël genoemd en het hele boek Hosea gaat over Israëls ontrouw, waarbij het huwelijk van Hosea met een ontrouwe vrouw als voorbeeld genomen wordt. (Hosea 2:16,17,21,22)

Als je je afvraagt of Jezus twee keer trouwt, lees dan Romeinen 9:24-26 en Efziërs 2:11-19; 3:5,6.

Opdracht 4:

Als je alle begrippen, kenmerken of hoofdlijnen van opdracht 1-3 op een rijtje zet, wat is dan het beeld van het Koninkrijk dat verschijnt?

Lees Matteüs 20:1-15

Zet de hoofdlijn van deze gelijkenis bij die van de anderen.

Vragen:

  • Heeft iedereen ongeveer dezelfde begrippen/kenmerken/hoofdlijnen gevonden bij de 4 opdrachten? Zo niet, is er toch een samenvatting te maken, waardoor iedereen zich kan vinden in het beeld van het koninkrijk wat ontstaat?

  • Als je dat beeld vergelijkt met het koninkrijk in het OT, wat zijn de overeenkomsten en verschillen?

  • Als je dat beeld vergelijkt met het koninkrijk in het NT, wat zijn de overeenkomsten en verschillen?

  • Als je de beelden van het koninkrijk uit het OT en die uit het NT en die uit de gelijkenissen naast elkaar zet, hebben we het dan over een ‘statisch’ koninkrijk, een koninkrijk wat meteen een definitieve vorm heeft? Zo nee, hoe zit het dan wel? (Les 4 gaat hierop in, maar geef nu alvast je eerste indruk)

Antwoorden bij de opdrachten:

1. Matteüs 13:31-33, 44-46 mosterdzaad, zuurdezem, parel en schat.

Kenmerken: het is klein maar groeit, het beïnvloed alles om zich heen → begrip 1 : groeit uit tot…

Het is erg kostbaar, je hebt alles ervoor over om het te krijgen → begrip 2 : het kost je alles.

2. 13:24-30 en 36-43 =onkruid, 47-50 =sleepnet en Matteüs 22:1-13 Het is met het koninkrijk van de hemel als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Haal alles en iedereen binnen.

Alles zit door elkaar, iedereen wordt uitgenodigd, maar niet iedereen komt er uiteindelijk in/ wil erin

3. Mat 18:23-35 Daarom is het met het koninkrijk van de hemel als met een koning die rekenschap wilde vragen van zijn dienaren. Grote schuld kwijtgescholden, zelf niet vergeven, mag er niet in

Matteüs 25:1-12 Dan zal het met het koninkrijk van de hemel zijn als met tien meisjes die hun olielampen hadden gepakt en eropuit trokken, de bruidegom tegemoet.

Wel willen ontvangen, niet geven → komt er ook niet in.

4. Matteüs 20:1-15: arbeiders die hetzelfde beloond worden.

Je beloning hangt niet af van hoelang of hoe hard je hebt gewerkt.

Onderdeel 4. Al reeds en nog niet

Voorbereiding thuis:

  • Zet de hoofdlijn of de belangrijkste punten van onderdeel 3 voor jezelf op papier.

  • Lees wat je bij onderdeel 1 en 2 hebt opgeschreven nog een keer door.

  • Denk nog eens na over het koninkrijk uit het OT, die uit het NT en die uit de gelijkenissen en wat jullie daarover hebben besproken. Klopt dat met het beeld dat je misschien al had van het Koninkrijk?

  • Lees de tekst hieronder, en lees ook de bijbehorende bijbelteksten. Neem de tijd om zo nodig de context te lezen. Schrijf op wat je wilt onthouden en schrijf op wat je aanspreekt, dingen die je met de groep zou willen delen. Schrijf ook op wat je niet begrijpt en wat je met de groep zou willen bespreken.

  • Lees daarna de vragen bij dit onderwerp en bedenk wat je zou kunnen antwoorden. Schrijf dat niet op, het is de bedoeling dat jullie van gedachten gaan wisselen, niet dat iedereen zijn antwoorden gaat oplezen.

Tekst bij het onderwerp

´Al reeds en nog niet´, is een uitspraak die in de reformatorische kerken (= gereformeerd, hervormd, ed.) wordt gebruikt als men het over het koninkrijk van God heeft.

Al reeds: het is gekomen, want de Messias is gekomen en Zijn koninkrijk is aanwezig op de aarde. Je kan niet zeggen dat het hier of daar is, maar het ligt wel binnen ons bereik.

Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon” (Kolossenzen 1:13)

Je bent volgens de bijbel dus in het Koninkrijk, maar kan je het ook zien? Je zit tenslotte gewoon in deze maatschappij. Hoe werkt dat?

Nicodemus zat ook met die vraag. Johannes vertelt hoe hij ’s nachts naar Jezus toeging met zijn vragen. “Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien.’” (Johannes 3:3). Toen was Nicodemus nog niet veel wijzer. “Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is?” vroeg hij zich af. (vs 4)

Jezus antwoordde: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en geest. Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk. Wees niet verbaasd dat ik zei dat jullie allemaal opnieuw geboren moeten worden.” (vs 5-7)

Geboren, net zoals Jezus zelf. Hij werd geboren uit een vrouw, zonder dat er een man aan te pas kwam. Hij werd verwekt door de Heilige Geest. Net als degenen die in Zijn naam geloven. ‘Zij zijn kinderen van God. Ze zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.’ (Joh 1:12,13) “Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk.” (Joh 3:6)

Je wordt dus geestelijk geboren, en dan kan je het Koninkrijk zien. Dat betekent dat het Koninkrijk dus ook geestelijk is. Dat verklaart dat het binnen ons bereik is en toch niet van deze (materiële) wereld.

Vraag:

Ben je het daarmee eens? Komt een geestelijk Koninkrijk overeen met het beeld wat je ervan had? (Over hoe je een geestelijk Koninkrijk toch kan (laten) zien, gaan de onderdelen 5-7)

Wedergeboorte

Voor ons als christenen is dit een bekend concept. We weten dat we worden ‘wedergeboren’ als we tot geloof komen. Voor sommigen is het echt een bevalling, zij gaan door een lang denk- en worstelproces voordat ze tot geloof komen. Voor anderen is het haast een openbaring. Ze zitten in een bepaalde situatie of met een vraag en ineens zien ze ‘het licht’.Voor degenen die gelovig zijn opgevoed, gaat het meestal heel geleidelijk, ze maken in de loop van de jaren het geloof van hun ouders tot hun eigen geloof. Maar hoe mensen ook tot geloof zijn gekomen, als je het vraagt blijkt vrijwel iedereen een moment van besef, van ontmoeting, van redding of van keuze te hebben ervaren.

Paulus beschrijft de wedergeboorte op een hele mooie manier in Romeinen 6:3-11. In de NBV staat hier ‘uw oude bestaan’, in de NBG staat ‘de oude mens’. Kern van de zaak is dat we in Christus met Hem zijn gestorven en met Hem zijn opgestaan tot een nieuw leven, opnieuw zijn geboren dus. Het gaat niet om de ervaring van wedergeboorte, het gaat om het resultaat ervan: “Denk aan uzelf als levenden die uit de dood zijn opgewekt en stel uzelf in dienst van God als een werktuig voor de gerechtigheid.” (vers 13)

In de tijd van Jezus was dit een heel nieuw concept. De Joden hielden de wet en als ze de wet overtraden, dan moesten ze een offer brengen ter verzoening. Ze droegen hun zonden over op het offerdier en namen het leven van dat dier, in ruil voor hun eigen leven.(Leviticus 4) Er was geen sprake van een nieuw leven, er was alleen sprake van reiniging.

Als je wilt kan je een rondje maken waarbij iedereen vertelt hoe hij/zij tot geloof gekomen is. De ervaring leert dat je hier niet in vijf minuten mee klaar bent. Misschien dat je hier na afloop van deze serie over het Koninkrijk, een aparte avond voor kunt reserveren. Het is heel mooi om te horen hoe God bij iedereen een persoonlijk plan van aanpak heeft gehad.

Nog niet: het is nog niet gekomen zoals het moet worden: de aarde doordrenkt van de kennis van de Heer (Jes 11:9 en Hab.2:14), een koe en een beer die samen grazen en een leeuw die stro eet (Jesaja 11:7).

Zo was het wel bij de schepping. Alles en iedereen was vegetariër en de mens wandelde in de avondkoelte met God. (Genesis 1:29,30; 3:8)

Het Koninkrijk in zijn volle glorie lijkt wel op een herstelde schepping. Dan is alles weer ‘zeer goed’ (Genesis 1:31).

Openbaring geeft ons ook een inkijkje. Na de beschrijving van Jeruzalem als bruid van het Lam (zie onderdeel 3, de bruiloft), volgt vanaf hoofdstuk 21:23 een beschrijving van een samenleving in Gods aanwezigheid.

Maar zover zijn we nu nog niet. Tot die tijd gedraagt het Koninkrijk zich als een mosterdzaadje of zuurdesem. Het groeit en het beïnvloed wat in de omgeving zit. Het is als een sleepnet of een akker met onkruid en goed zaad. Het goede en het ondeugdelijke zit nog samen, het zit nog door elkaar heen. En zolang het ondeugdelijke nog aanwezig is, kan het nooit 100% koninkrijk worden.

Vragen:

  • Wat vind je van de uitdrukking ‘al reeds en nog niet’? Dekt dat de lading of is het een fraaie zin om aan te geven dat je het niet weet?

  • Begrijp je het probleem van (de Jood) Nicodemus? Hij zag aan de tekenen en wonderen dat Jezus de Messias was, een leraar van God gezonden (Joel 2:23), maar hij zag het koninkrijk niet. Zouden mensen in jouw omgeving ook dat probleem kunnen hebben?

  • Moet je die profetieën letterlijk nemen (Bv Jes. 11:6-10 of Openbaring 22:1,2), of zijn het gewoon beelden van een hele mooie toekomst?

  • Hoe stel jij je 100% koninkrijk voor? Wat is er wel en wat is er niet? Hoe ziet het eruit?

  • Is het Koninkrijk in zijn volle glorie de hemel?

Inleiding bij onderdeel 5-7. Hoe ziet het koninkrijk van God er nu uit?

100% koninkrijk is nog niet mogelijk op deze wereld, omdat het ondeugdelijke er nog is. Het Koninkrijk is geestelijk, niet van deze (materiële) wereld. Je kan het zien als je opnieuw geboren bent. Maar, kan je wel al sporen of een schaduw van het Koninkrijk zien? Het is als een mosterdzaadje en als zuurdesem, die beide invloed op hun omgeving hebben. Dus je zou zeggen dat je er iets van moet kunnen merken. Maar wat dan, en hoe?

… want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest.”, zegt Paulus in Romeinen 14:17.

Rechtvaardigheid/gerechtigheid, vrede en vreugde/blijdschap zijn dus kenmerken van het Koninkrijk.

Laten we die kenmerken maar eens onder de loep nemen. Wat bedoelen we ermee? Is blijdschap hetzelfde als lol hebben, is vrede afwezigheid van oorlog, is rechtvaardigheid hetzelfde als je gelijk krijgen? En is het koninkrijk overal waar blijdschap is, of waar vrede is, of gerechtigheid?

Onderdeel 5. Rechtvaardigheid

Voorbereiding thuis:

  • Zet de hoofdlijn of de belangrijkste punten van onderdeel 4 voor jezelf op papier.

  • Lees wat je bij onderdeel 2 en 3 hebt opgeschreven nog een keer door.

  • Lees de inleiding bij de onderdelen 5-7.

  • Wat stel jij je voor bij gerechtgheid of rechtvaardigheid? Is dit voor jou hetzelfde als ‘je krijgt waar je recht op hebt’ of ‘het gaat eerlijk’? Schrijf wat steekwoorden op.

  • Lees de tekst hieronder, en lees ook de bijbehorende bijbelteksten. Neem de tijd om zo nodig de context te lezen. Schrijf op wat je wilt onthouden en schrijf op wat je aanspreekt, dingen die je met de groep zou willen delen. Schrijf ook op wat je niet begrijpt en wat je met de groep zou willen bespreken.

  • Lees daarna de vragen bij dit onderwerp en bedenk wat je zou kunnen antwoorden. Schrijf dat niet op, het is de bedoeling dat jullie van gedachten gaan wisselen, niet dat iedereen zijn antwoorden gaat oplezen.

Tekst bij het onderwerp

Lees het verhaal over een heer die arbeiders inhuurde voor zijn wijngaard uit Matteüs 20:1-15 nog een keer door. Bij onderdeel 4 hebben we al gezien dat de beloning in het Koninkrijk niet afhankelijk is van hoe lang of hoe hard je hebt gewerkt. Degenen die de hele dag hard gewerkt hadden, kregen evenveel als degenen die maar een uurtje hadden gewerkt. Is dat gerechtigheid, is dat rechtvaardig?

Het besluit van de werkgever lijkt onrechtvaardig als je kijkt vanuit de ogen van degenen die het langst gewerkt hebben. Zij hebben de hele dag onder de brandende zon geploeterd en bij de uitbetaling zien ze dat degenen die maar een uurtje hebben gewerkt 1 denarie krijgen. Dus zij verwachten dat zij meer krijgen. Ze hebben immers langer gewerkt en meer gedaan voor hun baas, dus dat lijkt logisch. Maar ze krijgen hetzelfde als degene die veel minder hebben gedaan. 1 denarie is voldoende om hun gezin te onderhouden en dat bedrag hadden ze afgesproken. Zij worden dus in feite rechtvaardig behandeld.

Als je kijkt met de ogen van degenen die maar een uurtje gewerkt hebben is die ene denarie een onverwachte zegen. Ze hebben de hele dag gewacht op werk en niemand wilde ze inhuren. Hoe moesten ze hun gezin te eten geven? Maar ze gaven niet op, ze bleven wachten. Misschien zat er nog een uurtje werk in, dan konden ze in ieder geval brood kopen.

Dan komt dat uurtje werk en ze krijgen er een dagloon voor!

Kijk nu eens met de ogen van de landheer. Er is werk te doen en hij huurt mensen in. Met de eerste ploeg spreekt hij een goede prijs af, ze gaan ermee akkoord. Iedere keer als hij nieuwe mensen komt inhuren weet hij dat ze dan wel geen hele dag gewerkt hebben, maar net zo goed een dagloon nodig hebben om in hun onderhoud te kunnen voorzien. Dus hij geeft ze wat ze nodig hebben.

Zou dat de rechtvaardigheid van het Koninkrijk zijn? Je wordt niet betaald naar wat je doet, maar naar wat je nodig hebt? Dat is even schakelen voor ons. Wij zijn gewend om beloond te worden naar prestatie, net als die eerste arbeiders. Maar prestatie telt kennelijk niet, want in het koninkrijk van God draait het om genade.

De broer van de verloren zoon begreep ook al weinig van de rechtvaardigheid van het koninkrijk van God. Dat verhaal (Lucas 15:-32) gaat over een zoon die van huis weggaat met een smak geld en er een puinhoop van maakt. Als zijn geld op is, realiseert hij zich wat hij eigenlijk gedaan heeft. Dan gaat weer terug naar zijn vader, niet als zoon, maar hij hoopt op een baantje in het bedrijf van zijn vader. Die vader leest hem niet de les, maar gaat een feestje geven omdat die zoon weer terug gekomen is. De oudere broer staat te mopperen. ‘Ik ben hier gebleven, ik heb altijd netjes gedaan wat u me vroeg en u heeft nooit een feestje gegeven voor mij’. Zegt die vader: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou.”

Dit is wel wat heftiger dan een dag of een uurtje werken en het gaat om veel meer geld dan een dagloon. Je kan zeggen dat de bedoelingen van de werkzoekenden in ieder geval nog goed waren – ze bleven wachten op werk. Dat kan je van de verloren zoon niet zeggen. Zij broer beschrijft hem als “die zoon van u (…) die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren.”

Daar zou ik ook geen feestje voor geven.

Maar de vader ziet dat anders: “Hij was dood en is weer tot leven gekomen.” en dat is wel degelijk reden voor een feest.

Weer die andere invalshoek, zoals bij de werkgever uit de vorige gelijkenis. De vader ziet iets heel anders dan de broer.

Wat de broer doet, is alleen naar zichzelf kijken en hij vergelijkt wat zijn jongere broer krijgt met wat hijzelf krijgt. Net als de arbeiders die de hele dag gewerkt hadden, zij vergeleken hun loon met dat van de laatkomers. Het Koninkrijk heeft een soort ‘helicopterview’. Het stijgt uit boven het voor de hand liggende en ziet ook de anderen en hun nood en voorziet daar ook in, net zo goed als jij krijgt wat jij nodig hebt.

De jongste zoon had herstel nodig. Iedereen moest weten dat hij weer aangenomen was als zoon, niet in de laatste plaats de zoon zelf. Daarom een feestje en een nieuwe kleren. De dagloners die een uurtje gewerkt hadden, hadden een dagloon nodig en daarom kregen ze dat ook.

Het Koninkrijk is een zaak van gerechtigheid. Van iedereen krijgt wat nodig is.

Je kan niet narekenen wat iemand zou moeten krijgen, want onze rekenmethode is heel anders dan die in het koninkrijk van God. Je hoeft dus wat dat betreft alleen maar op je eigen taken of je eigen inzet te letten. God geeft je wat je nodig hebt, en de anderen ook.

De bijbel zegt: “Maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten of drinken, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken. Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben. Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.” (Matteüs 6:25,32,33).

Paulus zegt dat net even anders: “Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God.” (Kolossenzen 3:1-3). Dat laatste is heel mooi: mijn leven ligt verborgen in God. Dat wil zeggen dat “we leven in vertrouwen op God; wat komen gaat is nog niet zichtbaar.” (2 Korintiërs 5:7)

Is de gerechtigheid van het koninkrijk alleen een zaak tussen God en mij?

Nee, de gerechtigheid van het Koninkrijk heeft ook alles te maken met het uitvoeren van de goede daden of werken, die God heeft voorbereid (Efeziërs 2:10). En ook met het doen van de wil van God (1 Johannes 5:3). Wat God wil, kunnen we samenvatten in twee geboden: Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf. (Marc.12:30,31; Luc.10:27)

Als wij van anderen kunnen houden als van onszelf, dan zijn wij bereid om te delen wat we hebben, maar ook om onszelf te geven.

Denk dus niet alleen aan geld of kleding of voedsel, maar bedenk eens hoe jij je voelt als iemand zijn tijd, aandacht, energie, handigheid of creativiteit met jou deelt? En wat gaat er gebeuren als jij je tijd gaat delen, of je aandacht, je energie, je creativiteit, je handigheid, of je huis, of wat je ook maar hebt of bent?

Dan wordt de gerechtigheid van het Koninkrijk zichtbaar voor de buitenwereld.

Het is een gerechtigheid die niet van deze wereld is.

Wat vooral niet van deze wereld is, is de liefde van waaruit je alles doet. Je doet het niet alleen als je je goed voelt, of als het je uitkomt, of als je ervoor beloond wordt. Je doet het onvoorwaardelijk omdat je God lief hebt en je naaste als jezelf. Als je wilt weten hoe belangrijk liefde is en wat liefde is, lees dan 1 Korintiërs 13.

Wat ons drijft is de liefde van Christus. Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld. Wij zijn gezanten van Christus(…). God heeft hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door hem rechtvaardig voor God konden worden.” (2 Korintiërs 5:14,16, 20,21)

Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft,en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God.” (Efeziërs 5:1,2).

Wat je niet hebt, dat kun je niet delen. Maar wij hebben liefde en gerechtigheid ontvangen. Christus heeft ons zo liefgehad, dat Hij zijn leven voor ons gegeven heeft (Johannes 3:16). En daardoor zijn wij gerechtvaardigd: er staat niets meer tussen God en ons in. Zoals de Israëlieten hun zonden overdroegen op het offerdier en daarna het offerdier doodden, zodat zij verder konden leven, zo hebben wij onze zonden op Christus overgedragen en is Hij gestorven. Maar in plaats van gewoon verder te leven, zijn wij met Hem gestorven en met Hem opgestaan, tot een nieuw leven. Wat de wet niet kon, namelijk je leven veranderen, dat doet Christus wel voor ons. Door geloof in Hem worden we opnieuw geboren, nieuwe mensen, geestelijke mensen, burgers van Zijn Koninkrijk, zelfs gezanten, diplomaten en ambassadeurs, van Zijn Koninkrijk.

Het is vooral deze gerechtigheid waar het om draait in het Koninkrijk. Dit is wat wij als gezanten van Christus moeten doen: de mensen laten weten dat deze gerechtigheid, deze verzoening bestaat, dat het ook voor hun is. (2 Korintiërs 5:11-21) Dat het Koninkrijk ook binnen hun bereik ligt.

En hoe doen we dat?

Zoals de eerste gemeente dat deed: “Allen die het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden. Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde. Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden.` (Handelingen 2:44-47)

Vragen

  • Mag je het verhaal van de verloren zoon wel betrekken bij de gerechtigheid van het Koninkrijk?

  • Hoe ga jij ermee om als iemand voor jouw gevoel meer krijgt dan waar hij of zij recht op heeft, volgens jou? En als een ander minder krijgt dan waar hij of zij recht op heeft? En als jij minder krijgt dan waar je voor je idee recht op hebt? (wees eerlijk naar jezelf)

  • Wat is de relatie tussen de rechtvaardigheid van het Koninkrijk en eerlijkheid of ‘je recht krijgen’?

  • Hoe, op welke manier, ervaar/merk jij de gerechtigheid van het Koninkrijk in je eigen leven? Hoe ervaar je de gerechtigheid van God en hoe die van je medegelovigen? Noem eens dingen die je hebt meegemaakt (niet dingen die je gemist hebt).

  • Als je zomaar, om niet, iets krijgt wat je nodig had, van iemand die geen christen is, is dat dan ook gerechtigheid van het Koninkrijk? Waarom?

  • Hoe zou je anderen de gerechtigheid van het Koninkrijk kunnen laten ervaren?

  • Hoe zou je het leven van de eerste gemeente uit Handelingen 2 in de huidige individualistische maatschappij kunnen toepassen? Bedenk daarbij wat dat leven kenmerkte. Was dat wat ze deden, of hoe ze waren, of allebei? (We komen daar op terug in onderdeel 7, vreugde)

Onderdeel 6. Vrede

Voorbereiding thuis:

  • Zet de hoofdlijn of de belangrijkste punten van onderdeel 5 voor jezelf op papier.

  • Lees wat je bij onderdeel 4 hebt opgeschreven nog een keer door.

  • Lees de inleiding bij de onderdelen 5-7.

  • Wat stel jij je voor bij vrede? Is dit voor jou hetzelfde als afwezigheid van oorlog of ruzie? Schrijf wat steekwoorden op. Je mag ook de betekenis van het Hebreeuwse woord ‘shalom’ opzoeken als je dat leuk vindt.

  • Lees de tekst hieronder, en lees ook de bijbehorende bijbelteksten. Neem de tijd om zo nodig de context te lezen. Schrijf op wat je wilt onthouden en schrijf op wat je aanspreekt, dingen die je met de groep zou willen delen. Schrijf ook op wat je niet begrijpt en wat je met de groep zou willen bespreken.

  • Lees daarna de vragen bij dit onderwerp en bedenk wat je zou kunnen antwoorden. Schrijf dat niet op, het is de bedoeling dat jullie van gedachten gaan wisselen, niet dat iedereen zijn antwoorden gaat oplezen.

Tekst bij het onderwerp

Na het laatste avondmaal, nadat Judas weggegaan was om Hem te verraden, praat Jezus nog na met Zijn 11 leerlingen. Hij weet dat Zijn tijd op aarde er bijna op zit en dat Hij binnenkort zal worden gedood. Dit is Zijn laatste kans om Zijn leerlingen nog iets te zeggen. Hij wil zijn leerlingen troosten. Hij zegt: “Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan.” (Johannes 14:27)

Hoe kan Iemand spreken over vrede als Hij weet dat één van zijn 12 speciale leerlingen Hem op dat moment voor geld verraadt aan Zijn vijanden?

Hoe kan uit verraad vrede voortkomen? Hoe kan iemand uit een oneerlijk proces, uit marteling en moord, vrede nalaten?

Omdat het allemaal draait om vergeving en genade.

Door de dood van Christus hebben wij vrede met God. (Ef 2:14-18) Verzoening met God betekent dat de relatie weer hersteld is. Christus heeft aan het kruis de vijandschap gedood. De vijandschap tussen Joden en heidenen, maar ook de vijandschap tussen God en mensen.

Vergeving van zonden en herstel van de relatie met God is de vrede die Jezus nalaat. Die kan de wereld niet geven. Niemand kan de schuld die jij hebt bij God ongedaan maken, alleen God zelf kan dat. En dat heeft Hij gedaan. Daardoor hoeven we niet bang te zijn dat God boos op ons is, we hoeven niet bang te zijn voor straf. We hoeven ook niet alsnog boete te doen voor de verkeerde dingen die we doen, we hoeven ons niet schuldig te voelen en we hoeven niets goed te maken.

Deze vrede is een kenmerk van het koninkrijk van God. Wij mogen erin omdat Hij ons vergeven heeft, omdat Hij de relatie hersteld heeft.

Ook al is het genade, het schept verplichtingen. Niet naar God, maar wel naar de mensen om je heen. Want we hebben onze naaste lief als onszelf. De vergeving die wij ontvangen hebben, geven we graag door (Mat 6: 10,12,14,15). We zijn niet zoals die man die net van de bank te horen heeft gekregen dat zijn hypotheekschuld van een paar ton is kwijtgescholden, en die vervolgens iemand ophangt die hem nog € 500,- schuldig is, zoals in Matteüs 18:23-35 . En, voor zover het van ons afhangt en zo mogelijk, houden we vrede met alle mensen (Romeinen 12:18), toch?

Mensen kunnen enorm lijden onder dingen die hen zijn aangedaan. Ze zijn boos, maar ze hebben ook veel pijn. Iedere keer als ze terug denken aan die gebeurtenis, is het alsof het gisteren was. Iedere keer komen diezelfde emoties naar boven. Angst, wanhoop, machteloosheid. Soms slijt het met de jaren, maar meestal niet. Soms komt er door een bepaalde associatie ineens iets van jaren geleden in alle hevigheid naar boven. Vreselijk.

Natuurlijk vergeef je iemand niet die je zoiets ergs aangedaan heeft, dat is niet mogelijk. Het is zo erg dat je na al die jaren nog steeds pijn hebt en boos bent en geen vrede kunt vinden.

Maar wat gebeurt er als je zo iemand of zo’n organisatie of regime wel zou vergeven?

Dan kom je er los van. Je rekent het hen niet meer aan, dus je kan er afscheid van nemen. Je hoeft het niet meer te onthouden, je hoeft er niet meer mee bezig te zijn, je hoeft niet meer te zoeken naar wraak of genoegdoening.

Zij verdienen jouw vergeving niet, nee. Maar denk je dat ze ervan onder de indruk zijn dat jij hen niet vergeeft? Sommigen zijn allang dood, anderen zie je nooit meer.

Straf je hen door ze niet te vergeven? Denk je dat, als jij het vergeeft, iedereen het vergeet en ze nooit meer hun verdiende loon krijgen?

Wat er echt gebeurt als jij vergeeft, is dat jij rust krijgt. Dat die pijn kan slijten, de herinneringen steeds minder emoties oproepen. Door niet te vergeven houden de gebeurtenissen van vroeger jou vast, jij bent hun gevangene. Ze spoken door je leven en ze pijnigen je nog steeds.

Vergeven is niet hetzelfde als vergeten! Je geheugen blijft intact. Maar de emoties bij de herinnering vervagen. En omdat de emoties vervagen, worden ze ook niet snel weer opgeroepen door iets wat je doet denken aan… Op een gegeven moment zal je zelfs weer naar die persoon kunnen kijken zonder haat of pijn. Je bent er dan helemaal los van. Ook als die persoon met je praat, blijft die vrede, die elk verstand te boven gaat, bij je.

Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt: ‘Het is aan mij om wraak te nemen, ik zal vergelden’.” (Romeinen 12:19) Laat wat jou is aangedaan daarom los in Gods handen.

Iemands verkeerde keuzen hoeven niet zonder gevolgen te blijven. Maar dat staat los van jouw vergeving. Jij bent op dit gebied alleen verantwoordelijk voor jezelf, voor je eigen rust, voor je eigen vrede.

Paulus heeft het ook over de vrede van God, en hij koppelt het aan niet bezorgd zijn:

Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden. Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren.” (Filippenzen 4:6,7)

Ook Jezus heeft mooie dingen gezegd over niet bezorgd zijn (Lucas 12:22-34). Dit tekstgedeelte sluit af met: “Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

Dat is iets om over na te denken in relatie met het Koninkrijk van God.

Vragen:

  • Is vrede meer dan de afwezigheid van oorlog of ruzie? Is je mening veranderd nadat je de tekst hebt doorgelezen?

  • Kan je zelf een voorbeeld noemen van vrede die je hebt ervaren doordat jij iemand vergeven hebt?

  • Moet je ook vergeven als die ander geen vergeving vraagt of geen spijt heeft?

  • Zie je een verband tussen de rechtvaardigheid en de vrede van het koninkrijk van God? Zowel op het vlak van vergeving, als op het vlak van zorgen maken?

  • Mag je Matteüs 18:3 ook interpreteren als ‘wees niet bezorgd’?

  • Heeft iemand zich weleens verbaasd over jouw houding in een moeilijke situatie of jouw houding ten opzichte van een vreselijk vervelend persoon?

  • Als een niet-christen jou vergeeft of als een niet-christen zich geen zorgen maakt, is dat dan ook de vrede die het Koninkrijk kenmerkt?

Onderdeel 7. Vreugde

Voorbereiding thuis:

  • Zet de hoofdlijn of de belangrijkste punten van onderdeel 6 voor jezelf op papier.

  • Lees wat je bij onderdeel 4 en 5 hebt opgeschreven nog een keer door.

  • Lees de inleiding bij de onderdelen 5-7.

  • Wat stel jij je voor bij vreugde of blijdschap? Is dat hetzelfde als lol hebben of blij zijn omdat er iets prettigs gebeurd? Schrijf wat steekwoorden op.

  • Lees de tekst hieronder, en lees ook de bijbehorende bijbelteksten. Neem de tijd om zo nodig de context te lezen. Schrijf op wat je wilt onthouden en schrijf op wat je aanspreekt, dingen die je met de groep zou willen delen. Schrijf ook op wat je niet begrijpt en wat je met de groep zou willen bespreken.

  • Lees daarna de vragen bij dit onderwerp en bedenk wat je zou kunnen antwoorden. Schrijf dat niet op, het is de bedoeling dat jullie van gedachten gaan wisselen, niet dat iedereen zijn antwoorden gaat oplezen.

Tekst bij het onderwerp

Als Paulus het tegen de Filippenzen heeft over vrede, (de vrede van God, die alle verstand te boven gaat) dan begint hij eerst over vreugde:

Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd. Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij.” (Filippenzen 4:4,5)

Je zou zeggen dat de Heer altijd je vreugde zal blijven, daar heb je geen aansporing bij nodig. Je hebt Hem lief omdat Hij jou heeft liefgehad en om wat Hij voor jou heeft gedaan. We hebben daar bij gerechtigheid en vrede het nodige over gelezen. Hij is onze gerechtigheid, Hij heeft ons Zijn vrede nagelaten. We mogen het Koninkrijk van God binnengaan dankzij Hem.

Maar toch zegt Paulus: Houd die vreugde vast.

Hou die vreugde vast als je stinkend rijk bent geworden en het lijkt alsof de vreugde daarvan voldoende is.

Hou die vreugde vast als je net ontslagen bent en je wereld in elkaar lijkt te storten.

Hou die vreugde vast als er niets gebeurt en alles routine en sleur lijkt te worden.

Hou die vreugde vast als je leven zo hectisch is dat je van voren niet meer weet of je van achteren nog leeft.

Hou die vreugde vast in voor en tegenspoed. Op de toppen en in de dalen van je leven.

God zei tegen het volk Israël: vergeet Mij niet, als je straks in het beloofde land bent. (Deut 6:10-12) In de woestijn waren zij zich dagelijks bewust van hun afhankelijkheid van God en Zijn aanwezigheid. Hij gaf hun manna en water en kwakkels, en schaduw overdag en verlichting ‘s nachts. Maar in het beloofde land moesten ze zelf voor hun kostje zorgen. Dan zou het lijken alsof ze God niet langer nodig hadden, dat ze het wel zelf konden. Om hen eraan te herinneren dat God hen naar dit land van ‘melk en honing’ gebracht had en dat God zorgde voor de regen waarvan de oogst afhankelijk was, moesten ze van de oogst de eerste opbrengst aan God laten zien en een gebed van afhankelijkheid bidden. Daarna mochten ze met al het goede wat ze hadden ontvangen, een feestje bouwen met z’n allen (Deuteronomium 26:1-11).

God vergeten als het je goed gaat, dat wil zeggen: je vreugde halen uit de omstandigheden en niet uit God, is een valkuil waar iedereen op z’n tijd in valt. Natuurlijk mag je blij zijn met spullen of omstandigheden, maar waar ligt je focus? Ben je God daar dankbaar voor, of geniet je er alleen maar van?

Dingen doen of kopen om ons beter te voelen, is ook iets waar we allemaal wel eens aan toegeven. Op zich is daar niets mis mee. Soms moet je jezelf eens verwennen en soms moet je gewoon wat leuks gaan doen om uit een dalletje te komen. Maar, pas op dat het geen gewoonte wordt om jezelf te troosten met eten, shoppen, alcohol, gamen, seks, schoonmaken, hard werken of iets anders waardoor je je goed voelt. Pas op dat je niet van dat soort dingen afhankelijk wordt voor je vreugde.

Soms denken we dat we ons beter zullen voelen als we dit of dat maar (niet) hadden. Als we een betere baan, andere collega’s of een betere baas hadden, als we een beter huis, betere buren of een leukere buurt hadden, als we een betere partner, andere vrienden of niet zo’n familie hadden, of als we een betere kerk, een begripvollere voorganger of beter jeugdwerk hadden, dan zouden we pas gelukkig kunnen zijn. Uiteraard is het leven veel prettiger als alles gaat zoals je zou willen. Maar het Koninkrijk is er nog niet in zijn volle glorie, dus dat blijft toekomstmuziek. Ondertussen is de vraag hoe je je vreugde vasthoudt in lastige omstandigheden.

Paulus heeft het nodige meegemaakt in zijn leven. Hij beschrijft dat in 2 Korintiërs 11:24-28 en Fillipenzen 4:12. Hij ervaart al die ellende als een ‘doorn in zijn vlees’ en hij heeft God gesmeekt of Hij hem ervan wilde bevrijden. Maar God antwoordde: “Mijn genade is u genoeg’ (2 Korintiërs 12:7-9)

Aan het lijden en volhouden in verdrukking, in moeilijke tijden, wordt ruim aandacht besteed in de brieven in het NT. Lees bijvoorbeeld Romeinen 5:1-5, 12:12; 1 Tessalonicenzen 1: 6,7; 1 Petrus 3:13-17.

Christenvervolging

De aanhangers van de Weg, zoals ze eerst heetten ( Handelingen 9:2) of de christenen, zoals ze later genoemd werden ( Handelingen 11:26), zijn vanaf het begin met argusogen bekeken en vaak vervolgd. Eerst door de Joden, die hun bewering dat Jezus de Messias was, godslasterlijk vonden (Handelingen 8:1-3, 9:1,2, 13:50, enz). Later door mensen die hun belangen zagen aangetast door de leer van het Christendom (Handelingen 16:19-23, 19:24-29). In het NT lees je al dat er aanstoot genomen wordt aan deze ‘nieuwe’ godsdienst omdat ze beweren dat er een andere koning, Jezus, is. Daarom hielden ze zich niet aan de bevelen van de keizer. Tot 312 waren er diverse golven van vervolging. De meesten waren lokaal. Een bestuurder van een stad of gewest vond het maar niets dat deze christenen weigerden de lokale godheid te aanbidden. Daardoor liep de stad of de streek het risico dat die godheid kwaad zou worden, met alle onheil van dien. Maar vanaf het jaar 250 waren het de keizers die niet accepteerden dat de christenen hun godheid niet wilden erkennen en daardoor werden de christenen systematisch vervolgd in het hele Romeinse Rijk. Pas onder keizer Constantijn (rond 320) kregen de christenen onbeperkte vrijheid om hun geloof te belijden. In 389 werd onder keizer Theodorus de Grote, het christendom de staatsgodsdienst.

Als Paulus en de andere brievenschrijvers het hebben over verdrukking, hebben ze het dus niet noodzakelijkerwijs over vervolging op grote schaal. De brieven zijn namelijk voor het jaar 100 geschreven. Paulus doelt daar waarschijnlijk wel op in zijn brief aan de Romeinen, die behoorlijk te lijden hebben gehad onder keizer Nero (rond 60). Maar dat was niet het geval in Efeze, Korinthe, Filippi, en de andere gemeenten die in het huidige Turkije (Asia) en Griekenland (Macedonië) lagen. Bij de komst van Paulus waren daar de nodige schermutselingen, maar dat duurde ook geen jaren. Toch stelt Paulus zijn eigen verdrukking tot een voorbeeld voor hoe de gemeenteleden in Korinte om konden gaan met hun eigen druk (2 Korintiërs 1:3-7), terwijl er in Korinte niet veel gebeurde tijdens Paulus’ verblijf daar (Handelingen 18:1-18).

Waar men in alle gemeenten wel mee te maken kreeg was onbegrip. Om hen heen begreep men niets van deze nieuwe leer en ook de gemeenteleden zelf hadden niet altijd de goede antwoorden. Daarom werden de brieven geschreven. Ze waren een antwoord op hun vragen, een correctie als ze niet de juiste dingen deden en een aansporing om vol te houden in hun leven als Christen. Een leven dat behoorlijk afweek van wat gangbaar was qua moraal en gebruiken. Door hun omgeving werden ze waarschijnlijk onder druk gezet om op te houden met dat ‘rare gedoe’ of die rare filosofie.

Wij leven nu, 2000 jaar later, in een post christelijke maatschappij. Waren in de tijd van onze (groot)ouders de gangbare normen en waarden nog gebaseerd op de bijbelse normen en waarden, nu is dat helemaal niet meer.

Tegenwoordig draait het hele leven om zelfontplooiing. We zijn individuen die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor ons eigen welbevinden en onze eigen welvaart. Doe je dat niet goed genoeg, dan word je toch een beetje meewarig aangekeken. Als je geen leuke baan met een lekker salaris hebt, geen mooie opleiding, geen snelle carrière, geen leuk appartement, geen spannende vrijetijdsbesteding, dan ben je in de ogen van anderen niet zo heel veel waard. Sterker nog, waarschijnlijk heb je iets fout gedaan, want iedereen heeft ongekende mogelijkheden, als je maar wilt, als je maar hard genoeg je best doet.

Maar de bijbel rept niet over zelfontplooiing of individualiteit. De bijbel heeft het over een groepscultuur, waar je verantwoordelijk bent voor het welbevinden en de welvaart van de ander (Handelingen 2:41-47; 4:32-35). En omdat je verantwoordelijk bent voor een ander, zorg je goed voor jezelf, zodat je wat te bieden hebt. Maar dat doe je niet alleen, daar word je bij geholpen. Dat doe je samen. Je helpt elkaar om te groeien in je geloof en in de kennis van Christus (Efeze:3:16-19; 2 Petrus 1:3-8). Wat jullie nu aan het doen zijn, zeg maar.

Je zou eens het woord ‘elkaar’ moeten intypen in debijbel.nl en dan alleen zoeken in de brieven. Dan heb je een klein overzicht van hoe belangrijk ‘elkaar’ is voor de gemeente.

Dat ‘elkaar’ speelt ook een hele belangrijke rol bij de vreugde van het Koninkrijk. Niet omdat de mensen van de kerk dag en nacht voor je klaar staan, waardoor jij een onbezorgd leventje kan leiden. (Het zou wel helpen, dat is waar) Maar omdat ze je kunnen helpen de focus op Jezus te houden, de grondlegger en voltooier van ons geloof (Hebreeën 12:2). Hij is de enige onwankelbare bron van vreugde. Alles om je heen verandert, maar Hij nooit.

Paulus, de man die zoveel ellende heeft meegemaakt is degene die schrijft: ‘laat de Here uw vreugde blijven, weest altijd verheugd’. Hij schrijft ook: “Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven Zoals wij volop delen in het lijden van Christus, zo delen wij volop in de troost die God ons door Christus geeft. Ondervinden we tegenspoed, dan is het opdat u bemoedigd en gered wordt. Worden we bemoedigd, dan is het opdat u de moed krijgt te volharden in hetzelfde lijden als wij ondergaan. ” (2 Korintiërs 1:3-6)

Het is dus geen holle kreet, ‘weest altijd verheugd’, maar het komt uit zijn eigen ervaring. Zo mogen we ook elkaar troosten met hoe God ons getroost heeft, toen wij het zelf moeilijk hadden.

En Paulus schrijft nog meer: “… Maar juist dat liet ons beseffen dat we niet op onszelf moeten vertrouwen, maar alleen op de God die de doden opwekt, die ons heeft gered en ons opnieuw zal redden uit eenzelfde doodsgevaar. Op hem hebben we onze hoop gevestigd: hij zal ons altijd redden. En ook u bent ons tot steun door voor ons te bidden. Zo klinkt uit talloze monden de dankzegging voor de gunst die hij ons bewezen heeft. .” (vers 9-11)

‘Op God hebben we onze hoop gevestigd: Hij zal ons altijd redden.’

Bedoelde Paulus dat God ons altijd uit de problemen zal redden? Dat ons niets vervelends meer zal overkomen?

Paulus had God zelfs gesmeekt of die ellende die hij meemaakte niet op kon houden. Maar God had gezegd: ‘Mijn genade is genoeg voor u’. En Paulus schrijft ook dat hij anderen kan troosten omdat hijzelf getroost is door God. Paulus bedoelt dus niet dat God ellende voorkomt of oplost.

Hij schrijft: “De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig.” (2 Korintiërs 4: 17,18)

Dat is Gods genade: we mogen deelhebben aan Zijn eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. Het is hier soms een aards tranendal, maar dat is maar tijdelijk. Het Koninkrijk van God is op aarde, het groeit en beïnvloed en eens zal het er in volle glorie zijn. Helaas wordt het tot die tijd ook bedreigd door geweld (Matteus 11:12). Als je focust op de omstandigheden, op dat geweld, mis je de vreugde van het (komende) Koninkrijk.

Laten we daarom het onwankelbare koninkrijk in dankbaarheid aanvaarden” (Hebreeën 12:28)

Met de pluspunten, maar ook met de (tijdelijke) nadelen van druk en ellende, juist omdat je je inzet voor het Koninkrijk.

Wees altijd verheugd, bid onophoudelijk, dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt.” (1 Tessalonicenzen 5: 16-18)

Nu we weten wat de vreugde van het Koninkrijk is – de vreugde om Gods genade, de vreugde over het komende Koninkrijk – is de vraag hoe die vreugde de buitenwereld kan beïnvloeden. Hoe ziet een buitenstaander die vreugde van het koninkrijk?

Is dat in een kerk waar mensen met hun handen in de lucht staan en zelfs dansen en springen tijdens het zingen; wat zij aanbidding noemen?

Is dat de ‘gristelijke grijns’ die je bij sommige mensen op hun gezicht ziet?

Hoe deden ze dat in de bijbel?

Ze vierden feest! God draagt Zijn volk op om drie maal per jaar feest te vieren ter ere van Hem (Exodus 23:14-17, Leviticus 23), maar zelf maakten de Joden er nog de nodige feesten bij. Iedere keer als er iets bijzonders gebeurde, vierden ze feest.

We hebben het feest bij de eerste opbrengst van de oogst al gelezen (Deuteronomium 26:1-11).

Een feest dat de Israëlieten zelf hebben ingesteld, staat in Nehemia 8: na de terugkeer uit de ballingschap wordt de wet voor het eerst in 70 jaar weer voorgelezen in Jeruzalem. ‘Deze dag is gewijd aan de HEER, uw God; rouw dus niet, en huil niet!’ Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde. Ezra zei tegen hen: ‘Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de HEER u geeft, is uw kracht.’ De Levieten maanden het volk tot stilte. Ze zeiden: ‘Wees stil, dit is een heilige dag, wees dus niet bedroefd.’ Toen ging iedereen eten en drinken. Ze deelden alles met elkaar en maakten er een groot en vrolijk feest van. Ze hadden begrepen wat hun was verteld.” (vers 9-12)

De Wet bevat de regels waaraan het volk Israël zich moet houden, als hun kant van het verbond met God. Zij hadden zich niet aan de wet gehouden, ze hadden het verbond verbroken en als gevolg daarvan had God hen uit het beloofde land laten verdrijven. Nu waren ze weer terug in het land en ze lazen voor het eerst weer de wet. God had hun het land teruggegeven, zij zouden zich weer aan hun deel van het verbond houden. Het verbond met God was hersteld.

Vragen:

  • Kan jij nazeggen wat Habakuk zegt in 3:17-19?

  • Wat vind jij het mooiste feest in de bijbel?

  • Als je naar feesten in de bijbel kijkt en je vergelijkt ze met onze feesten, wat is dan het grootste verschil?

  • Hoe zou je het feest uit Deuteronomium 26:1-11 naar onze tijd en onze omstandigheden kunnen trekken? Hoe zouden wij nu God en de mensen om ons heen kunnen laten zien dat we van Hem afhankelijk zijn, ook al lijkt het alsof we zelf voor onszelf zorgen?

  • En het feest uit Nehemia 8, de vreugde van de Wet, de vreugde van het herstel van het verbond met God? Kunnen we daar wat mee in deze tijd? (Zie Lucas 22:20 en 1 Korintiërs 11:25)

  • Zijn er, naast een feestje, nog meer manieren om de vreugde van het Koninkrijk zichtbaar te maken en te delen?

Onderdeel 8. Afronding

Voorbereiding thuis:

  • Zet de hoofdlijn of de belangrijkste punten van onderdeel 7 voor jezelf op papier.

  • Lees wat je bij de andere 6 onderdelen hebt opgeschreven nog een keer door.

  • Wat springt er voor jou het meeste uit? Waarom?

  • Lees de tekst hieronder, en lees ook de bijbehorende bijbelteksten. Neem de tijd om zo nodig de context te lezen. Schrijf op wat je wilt onthouden en schrijf op wat je aanspreekt, dingen die je met de groep zou willen delen. Schrijf ook op wat je niet begrijpt en wat je met de groep zou willen bespreken.

  • Lees daarna de vragen bij dit onderwerp, lees ook de bijbehorende bijbelteksten.en bedenk wat je zou kunnen antwoorden.

Tekst bij het onderdeel

We zijn begonnen met:

The Cause of the King and the Kingdom is the basis of everything we do”, een uitspraak van Brian Houston, senior pastor van Hillsong Sidney in zijn boek ‘FOR THIS CAUSE, finding the meaning of life and living a life of meaning

‘For this cause’ komt uit Johannes 18:37, waar Jezus zegt: “(…) Hiervoor (for this cause) ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. (…)”

We hebben na 7 avonden een duidelijker beeld van het koninkrijk van God.

We weten wat de verwachting was in het Oude Testament en we weten wat daarvan in het Nieuwe Testament de uitwerking was. We weten van ‘al reeds en nog niet’ en we weten het een en ander over de 3 kenmerken van het Koninkrijk uit Romeinen 14:17

De gerechtigheid van het Koninkrijk heeft alles te maken met God die in onze noden voorziet, onze behoefte aan verzoening met Hem voorop. Die gerechtigheid kunnen we laten zien door te delen wat we hebben gekregen, zoals Jezus alles, inclusief Zijn leven, heeft gedeeld met ons.

De vrede van het Koninkrijk gaat in de eerste plaats over onze vrede met God, doordat we vergeven zijn en over onze vrede met de omstandigheden, wetend dat God voor ons zorgt. Het uit zich in vergeven van anderen en niet bezorgd zijn, iets wat zich vooral in jouw innerlijk afspeelt.

De vreugde van het Koninkrijk gaat vooral over het vasthouden van de vreugde over de verzoening en de vergeving in goede en slechte tijden. Daar kan je iets van laten zien door Gods goedheid te vieren met een feestje waar iedereen welkom is en kan meedelen in het goede wat wij hebben ontvangen.

Het Koninkrijk is een zaak van vrede, vreugde en gerechtigheid en die drie hangen heel nauw samen. Zonder het een is het ander er niet en ze vinden alle drie hun bron in de Liefde. De liefde van Jezus voor jou en voor Zijn schepping, de liefde van jou voor Jezus en jouw liefde voor de mensen om je heen.

Het koninkrijk van God is niet van deze (materiële) wereld, maar wel in de wereld, doordat Jezus in jou in deze wereld is. Het koninkrijk van God is niet zichtbaar, totdat je deelt wat je hebt gekregen.

Ben jij alleen, dan is er maar heel weinig zichtbaar. Je kan vertellen over wat je ervaart en je kan zelf delen, vergeven en feest vieren. Maar wat je kan laten zien is beperkt. Dat is jammer, want de meeste mensen geloven iets pas als ze het zien. Je kan God vragen om wonderen en tekenen als bewijs dat Hij bestaat. Maar de essentie van het Koninkrijk bestaat niet uit wonderen en tekenen, maar uit Liefde. Het wordt zichtbaar in samen delen, in samen elkaar vergeven en door samen feest te vieren.

Ben jij deel van een groep of een kerk, dan wordt er steeds meer zichtbaar van het Koninkrijk. In de manier waarop de groep met elkaar omgaat wordt gerechtigheid zichtbaar en vrede en vreugde. Je kan het vertellen én het laten zien. Door hoe je zelf naar anderen toe bent, maar ook door ze mee te nemen naar je groep, naar je kerk. Waar ze het Koninkrijk in praktijk kunnen zien:

De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen (vrede). Niemand onder hen leed enig gebrek (gerechtigheid). Ze loofden God (vreugde).” (Hand 4:32,34; 2: 47)

Het resultaat: “De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden.” (Handelingen 2: 47) Wat logisch is, want wie wil dit nou niet? Ze willen gered worden van hun gebrek, van hun onvrede, van hun vreugdeloze bestaan.

Het is goed om te beseffen dat mensen die geen gebrek lijden, die geen problemen hebben en bij wie alles voor de wind lijkt te gaan, dat mensen die het zelf wel kunnen, geen behoefte aan redding hebben.

Wat het Koninkrijk aantrekt zijn de armen, de verschoppelingen, de mislukkelingen. (Matt. 22:1-4, Luc. 14:16-23)

Als zelfs totaal verschillende soorten kerken, met totaal verschillende soorten mensen die onderlinge gerechtigheid, vrede en vreugde laten zien, omdat ze ondanks hun verschillen weten dat ze bij hetzelfde Lichaam horen, dan ziet de omgeving dat “het Koninkrijk Gods niet bestaat in woorden, maar in kracht.” (1 Korintiërs 4:20)

Zie je de vergelijking van het Koninkrijk met een mosterdzaadje en met zuurdesem?

Het mosterdzaadje is een heel klein zaadje, maar als het na het zaaien opschiet, wordt het het grootste van alle planten en krijgt het grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen. En een klein beetje zuurdesem heeft effect op een grote hoeveelheid meel, als het ermee vermengd wordt. (Matteus13:31-33; Marcus 4:31,32; Lucas 13:18-21)

Een klein groepje mensen dat gaat leven vanuit de liefde van Jezus wordt groter en groter doordat het mensen aantrekt. Mensen kunnen er schuilen en na verloop van tijd meebouwen. Ze geven smaak aan alles waar ze mee in aanraking komen. Doordat hun manier van leven zo afwijkt van wat mensen gewend zijn, maar wel heel aantrekkelijk is, beïnvloeden ze hun omgeving.

Begrijp je nu dat Jezus zegt dat “men niet kan zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.” (Lucas 17:21)?

Het ligt binnen ons bereik om het Koninkrijk vorm te geven, om te laten zien hoe het werkt, maar niet om het Koninkrijk te stichten. Het zal ons niet lukken om van een hele stad of een heel land ‘het Koninkrijk’ te maken. We kunnen wel, met z’n allen, een stad beïnvloeden. Hoe groter de totale groep die deelt met elkaar, die kan vergeven en die de vreugde zichtbaar kan maken, hoe meer vrede, vreugde en gerechtigheid merkbaar worden in een stad of een land.

Jezus vergelijkt het Koninkrijk met een sleepnet, dat van alles bijeen brengt en met iemand die goed zaad gezaaid had, waar de vijand onkruid tussen zaaide. (Matteüs 13:24-30, 47-49) Daarom zal het niet lukken om het Koninkrijk te vestigen.

Als jij als groep, als kerk, alles gaat delen, zodat niemand gebrek heeft, trekt dat mensen aan die voor het geld komen. Dat is niet erg. Je moet niet bang zijn voor misbruik, maar je laten leiden door de Liefde van Jezus en de wijsheid van de heilige Geest. Sommige mensen zullen het Koninkrijk gaan zien en gaan mee doen, anderen zullen blijven profiteren. Zoals onkruid samen opgroeit met koren, zoals er van alles in een sleepnet terecht komt.

Terwijl je aan het vissen bent, kan je niet goed zien wat er allemaal in je net zit. Als je pas gezaaide plantjes opkomen, kan je niet goed zien wat onkruid is. Als je onkruid gaat uittrekken, trek je goede planten mee. De wortels van onkruid en van goede planten zitten namelijk door elkaar heen. Pas als alles tot bloei komt en vrucht gaat dragen, zie je wat onkruid is en wat niet.

Maar zolang onkruid en koren door elkaar heen groeien, wordt het nooit helemaal koren.

Zolang je aan het vissen bent, haal je van alles en nog wat binnen en wordt het nooit 100% goede vis. Zolang er allerlei soorten mensen door elkaar heen zitten in de maatschappij, wordt het nooit het Koninkrijk in zijn volle glorie.

Vragen

  • Wat bedoelde Jezus met ‘Ik ben gekomen om voor/van de waarheid te getuigen?

  • Wat is de zaak van de Koning en Zijn Koninkrijk?

  • Hoe zou je kunnen leven voor die zaak? Wat kan je met 1 Korintiërs 13 en Galaten 5:13-6:10 in dit verband? Of met Matteüs 13:44-46?

  • Hoe ga je dat (samen) aanpakken? Welke stap zou jij willen zetten, zou je iets willen veranderen en hoe zouden de anderen jou daarbij kunnen helpen?

  • Hoe ga je om met al die verschillende mensen die de kerk binnen wandelen?

  • Wanneer wordt het koninkrijk van God zoals het is beschreven in het Oude Testament, realiteit?

  • In de tijd van Jezus konden veel mensen niet lezen. Hij vertelde pakkende, herkenbare verhalen om Zijn boodschap over te brengen. Nu kunnen de meeste mensen wel lezen, maar veel (jonge) mensen begrijpen beelden (=symbolen, plaatjes, filmpjes) beter dan gedrukte tekst. Hoe zou jij in deze beeldcultuur duidelijk kunnen maken wat het koninkrijk van God is? Hoe zouden jouw ‘gelijkenissen’ eruit zien?

Hoe nu verder?

Voor jezelf:

Schrijf voor jezelf de belangrijkste conclusies bij dit onderwerp op.

Schrijf voor jezelf op wat je wilt gaan toepassen en hoe je dat wilt gaan doen.

Plan in je agenda een moment over een halfjaar en over een jaar, waarop je terug kijkt op je aantekeningen en je voornemens.

Voor de groep:

Besluit als groep hoe je hierna verder gaat.

Er zijn verschillende mogelijkheden:

  • De volgende keer doe je een rondje verhalen over hoe je tot geloof bent gekomen.

  • Je gaat samen het boekje ‘For This Cause’ lezen en bespreken. Dat gaat over de praktische invulling van het leven voor de Koning en Zijn Koninkrijk.

  • Je leest thuis een bijbelboek in één keer en je gaat met elkaar praten over die ervaring. (Zie Inleiding Evangelie 2.0)

  • Iemand leest een brief uit het NT voor en je gaat met elkaar praten over die ervaring. (Zie Inleiding Evangelie 2.0)

  • Er is een onderdeel uit de tekst van dit onderwerp waar jullie nog over willen doorpraten. Reseveer daar dan maximaal één avond per onderwerp voor en besluit wie wat gaat uitzoeken/voorbereiden. Kijk ook of er goede boeken zijn over het onderwerp waarvan je meer wilt weten.

  • Je gaat meteen door met het volgende onderdeel, ‘De kerk, wat zegt de bijbel er eigenlijk over?’ Dat sluit hier mooi op aan, maar misschien zijn jullie als groep meer geïnteresseerd in een van de andere onderwerpen.

De hele groep reserveert nu alvast een datum in de agenda voor een avond over een (half) jaar, waarop je nog een keer terug komt op wat je hebt geleerd over het Koninkrijk en wat dat voor invloed heeft gehad op jouw leven en op het leven van anderen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Copyright Ontspannen Christendom | Niets van deze website mag worden gekopieerd zonder toestemming van de auteur